Tussentijdse beëindiging arbeidsovereenkomst bepaalde tijd en recht op WW

Toch aansluitend WW i.g.v. voortijdig beëindigen arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd zonder tussentijdse opzegmogelijkheid

Augustus 2021

Einde tijdelijke arbeidsovereenkomst

De regel is, dat arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd met hierin een einddatum (dus geen overeenkomst voor de duur van een project), worden geacht door beide partijen te worden uitgediend, indien er geen mogelijkheid is opgenomen, om deze tussentijds op te zeggen. En de  arbeidsovereenkomst eerst pas van rechtswege eindigt  als die einddatum bereikt wordt (artikel 7:667 lid 1 BW). Houdt een van beide partijen zich hier niet aan, dat heeft dat financiële consequenties.

WW na einde tijdelijke arbeidsovereenkomst

Indien werkgever en werknemer om hen moverende redenen, onderling overeenkomen om middels een zogenaamde vaststellingsovereenkomst uit elkaar te gaan en een einde aan de arbeidsovereenkomst te maken, dat dient er dus altijd, wel een tussentijdse mogelijkheid in de desbetreffende initiële arbeidsovereenkomst opgenomen te zijn geweest, die e.e.a. mogelijk maakt. Indien die tussentijdse mogelijkheid echter niet in de arbeidsovereenkomst is opgenomen en de werknemer moet onverhoopt een beroep moeten doen op WW, dan stelt het UWV zich altijd op het standpunt, dat de werknemer wel recht heeft op WW, maar er een wachttijd in acht genomen zal worden. Dit in de vorm van de resterende looptijd die de arbeidsovereenkomst anders had geduurd zonder vaststellingsovereenkomst en e.e.a. gegrond op basis van artikel 19 lid 4 werkeloosheidswet.

Het is dus altijd verstandig om een dergelijke tussentijdse mogelijkheid tot opzegging altijd op te nemen. Dit omdat de praktijk leert, dat de intenties van beide partijen nog zo goed kunnen zijn, maar veel arbeidsrelaties toch voortijdig stranden. Waarbij het dan overigens wel zo is, dat de werknemer hier vrijelijk een beroep op kan doen, maar de werkgever desondanks altijd toestemming ervoor nodig heeft van of het UWV of de kantonrechter, ondanks de bepaling in kwestie. Zou de werkgever de kantonrechter verzoeken om de arbeidsovereenkomst te ontbinden en zou deze hierin mee gaan, dan zal in de regel, bij gebreke van een tussentijdse opzegmogelijkheid, de kantonrechter beschikken dat de werkgever dan sowieso een vergoeding dient te betalen ten bedrage van de maanden, dat de arbeidsovereenkomst normaliter had voortgeduurd. Is die tussentijdse opzegmogelijkheid wel opgenomen en leent het dossier zich voor een ontbinding dan geldt dat (vergoeding betalen voor resterende periode) dus niet.

Vaststellingsovereenkomst

De mogelijkheid om de al aangehaalde vaststellingsovereenkomst op te maken, los overigens van de beëindiging van een arbeidsovereenkomst is in de wet geregeld in artikel 7:900 e.v. BW. I.g.v. een dergelijke overeenkomst binden partijen zich over iets, dat tussen hen rechtens geldt en is het nagenoeg niet mogelijk, om achteraf weer van die eenmaal gemaakte afspraak af te kunnen wijken. Op grond van artikel 7:902 BW is een afspraak zelfs geldig,  als deze op vermogensrechtelijk gebied in strijd mocht blijken met dwingend recht, tenzij de afspraak tevens naar inhoud of strekking in strijd komt met de goede zeden of de openbare orde.

Uitspraak rechtbank sector Bestuursrecht Amsterdam 11 augustus 2021  (AMS 20/4366)

De rechtbank Amsterdam heeft nu deze maand en meer specifiek op 11 augustus j.l. (ECLI:NL:RBAMS:2021:4295) een uitzonderlijke uitspraak gedaan, die haaks staat op de inleiding, zijnde, dat het niet mogelijk is om aansluitend aan het einde van de arbeidsovereenkomst een WW-uitkering te verkrijgen, indien een arbeidsovereenkomst zonder tussentijdse opzegmogelijkheid voortijdig wordt beëindigd.

Wat was hier nu zo uitzonderlijk, dat de rechtbank hiertoe overging? Het UWV, gebaseerd op artikel 19 lid 4 WW, weigerde dus de ex-werknemer aansluitend aan het einde van de arbeidsovereenkomst een WW-uitkering te geven, omdat er zonder tussentijdse opzegmogelijkheid in de arbeidsovereenkomst door partijen voortijdig was beëindigd.

De werkgever en de werknemer waren om hen moverende redenen, na het opmaken van de initiële arbeidsovereenkomst een vaststellingsovereenkomst overeengekomen, in welke zij alsnog overeenkwamen, dat wel een tussentijds opzegmogelijkheid tussen hen gold, waar het betreft de arbeidsovereenkomst. De rechtbank Amsterdam overweegt nu, dat een arbeidsovereenkomst gedurende de looptijd ervan aangepast kan worden, indien beide partijen het over die aanpassing eens zijn. En dat de wet alleen voorschrijft op grond van artikel 7:667 lid 3 BW, dat het opzegbeding schriftelijk wordt vastgelegd en dat het dus ook geldt voor een arbeidsovereenkomst die al loopt en die later om redenen wordt gewijzigd. De rechtbank overweegt onder r.o. 11 van de uitspraak voorts, dat artikel 19 lid 4 WW niet vereist, te kijken op het moment van de WW-aanvraag, naar wat de inhoud was van de initiële arbeidsovereenkomst ten tijde van het opmaken ervan.  En de rechtbank dus het besluit van het UWV om nog geen WW-uitkering toe te kennen, vernietigt.

In dit geval is de latere aanpassing van de arbeidsovereenkomst, om bepaalde en wellicht de al aangehaalde (moeilijk ervan af te zien) redenen, gemaakt op grond van een vaststellingsovereenkomst. Daar waar in de praktijk aanpassingen van een arbeidsovereenkomst, door de bank genomen, op grond van een addendum worden gemaakt, hetgeen de zienswijze van de rechtbank volgende, dus helemaal niets had uitgemaakt.

Naar verwachting zal het UWV wel in hoger beroep gaan, omdat deze uitspraak de werking van artikel 19 lid 4 WW feitelijk uitholt. Maar de vraag is even of een hoger beroep het UWV helpt. De toekomst zal het leren.

U bent weer even bijgepraat.